In steeds meer steden vormen Nederlanders zonder migratieachtergrond de minderheid. Hoe vinden zij dat? Spoiler alert: de groep die zich het best heeft aangepast aan de superdiverse stad, is níet de hoogopgeleide progressieve elite.

In Rotterdam, Amsterdam en Den Haag is het al zover: de meeste bewoners hebben een migratieachtergrond. Jarenlang draaide onderzoek om hén: hun integratie, hun baan, hun kinderen. Maar één groep bleef buiten beeld: de mensen zonder migratieachtergrond in steeds diversere wijken. In Samenleving van minderheden richten sociologen Maurice Crul en Frans Lelie de schijnwerper op deze nieuwe minderheid: hoe is het om te wonen tussen buren, collega’s en klasgenoten van over de hele wereld? Hun internationale project ‘Becoming a Minority’, met duizenden gesprekken in steden als Amsterdam, Hamburg en Malmö, mondt uit in een heldere boodschap: de samenleving is veranderd, ons denken nog niet. In vijf punten delen we de meest relevante inzichten voor organisaties die werken in de migratiesamenleving.

  1. Onze steden veranderen in meerderheid-minderhedensteden

Steeds meer wijken in grote steden zijn meerderheid-minderhedenwijken: geen enkele groep vormt er de meerderheid. Dat betekent dat iedereen die er woont tot een minderheid behoort, ook de ‘oude Nederlanders’ die ooit als ‘de norm’ golden. Dat zet het klassieke verhaal van integratie – migranten passen zich aan aan mensen zonder migratieachtergrond –  op zijn kop. In deze wijken wonen namelijk de bewoners mét een migratieachtergrond vaak al jaren in de buurt, terwijl mensen zonder migratieachtergrond juist de nieuwkomers zijn.

  1. De meeste mensen zonder migratieachtergrond voelen zich er thuis

Voor populistisch rechts is de superdiverse stad een bron van angst: mensen zonder migratieachtergrond zouden zich er niet meer veilig of welkom voelen. Maar het onderzoek laat een ander beeld zien. Twee derde van de bewoners zonder migratieachtergrond is positief over de eigen buurt. Ze ervaren de diversiteit als vanzelfsprekend en verrijkend, hebben goed contact met buren en voelen zich veilig. Slechts 15 procent zegt zich een vreemde te voelen in de eigen wijk. Het geschetste doembeeld klopt dus niet.

  1. Denken is niet hetzelfde als doen (1)

De onderzoekers ontdekten een opvallende kloof tussen houding en gedrag. Ongeveer een kwart van de bewoners ervaart diversiteit als bedreigend, maar daarbinnen zijn de verschillen groot. Sommigen zitten in een negatieve spiraal. Ze zijn disporportioneel vaak betrokken bij botsingen en conflicten met buurtbewoners op straat, in het park of in de winkel. Anderen — met dezelfde negatieve houding — hebben juist wél goed contact met hun buren en sturen hun kinderen naar de basisschool in de wijk. Twee derde van hen leerde zelfs wat woorden uit een andere taal om met de buren te kunnen praten. Ondanks hun negatieve houding hebben een pragmatische manier gevonden om te leven in een superdiverse buurt, en ze voelen zich er thuis.

  1. Denken is niet hetzelfde als doen (2)

Ook aan de andere kant van het spectrum duikt een paradox op. Hoogopgeleide, progressieve bewoners spreken vaak lovend over diversiteit, maar bewegen zich tegelijk in opvallend ‘witte’ netwerken. Hun kinderen gaan naar scholen buiten de wijk, hun vriendenkring is homogeen en contact met mensen met een migratieachtergrond blijft oppervlakkig. Ze omarmen het idee van diversiteit, maar voelen schroom om echt contact te leggen met mensen met een migratieachtergrond.

  1. Het best aangepast: lager- en middelbaar opgeleiden uit gemengde buurten

Een hardnekkig misverstand is dat de hoogopgeleide elite de superdiverse samenleving zou stimuleren, terwijl ‘het volk’ haar zou afwijzen. In werkelijkheid is het preccies andersom. Juist lager- en middelbaar opgeleiden hebben zich het best aangepast aan de superdiverse stad. Zij groeiden vaker op in gemengde buurten, werken al jaren samen met collega’s van uiteenlopende afkomst en hebben veel vaker een gemengde vriendenkring dan hun hoogopgeleide buren.

De lessen voor maatschappelijke organisaties en overheden  

Ten eerste: niet elke verandering begint bij overtuigingen: gedrag is vaak beweeglijker. Zelfs mensen met moeite met diversiteit kunnen prima relaties opbouwen met hun buren. Ten tweede: ook progressieve hoogopgeleiden, hoe welwillend ook, kunnen steun gebruiken om de stap te zetten van idee naar ontmoeting.

De beste manier, tot slot, is investeren in dagelijks contact over etnische grenzen heen. dus niet via multiculturele festivals, maar wel via plekken waar mensen elkaar vanzelf tegenkomen: een gezamenlijke moestuin, een buurtvoetbalveld of een actie tegen zwerfafval. Contact verandert niet altijd iemands mening, maar het maakt wél verschil in hoe mensen samenleven.